Over het hek kijk ik tussen de bomen door. Ik probeer zo ver mogelijk het bos in te kijken. Wat is het hier toch mooi! Nergens ruikt bos zo lekker als hier! Wat jammer dat ik niet verder kan kijken. Het is al zo lang geleden dat ik daar rondliep. Mijn mooiste jeugdherinneringen liggen in dit bos, in ons bos. De eigenaar was er alleen met de feestdagen en alle andere dagen van het jaar was het bos van ons. Mijn vader was er boswachter. Andere kinderen hadden een huis met een tuintje, wij hadden een huis met een bos, helemaal voor ons alleen.



Nu sta ik zelf buiten het hek. Ik voel me buitengesloten. Dit bos is van mij en ik wil het terug. Ik loop langs de buitenkant van het hek. Naast mij, aan de andere kant van het hek, loopt de Beukenlaan. Daar verderop, achter de Appelboomgaard, over de Zandbrug, daar is een open plek in het bos. Vanaf hier kan ik het net niet zien. Daar had mijn vader met Pasen een metershoge houtstapel gemaakt. 's Avonds na het eten gingen we erheen. Het was een spannende wandeling door het donkere bos. We speelden alleen overdag in het bos, en alleen dichter bij huis. Er was natuurlijk geen verlichting en alles zag er anders uit en ook het geluid van onze stemmen klonk anders. Van de spanning maakten we extra veel kabaal. 'Ssssst', fluisterde mijn vader. 'Alle dieren slapen al, jullie maken ze wakker.' Fluisterend liepen we verder.

Toen we op de open plek kwamen, waren er meer mensen: de familie van de eigenaar van het bos. Het was de enige keer dat we iets met elkaar deden. Iedereen stond wat afwachtend en onwennig te kijken naar elkaar en de enorme houtstapel die mijn vader eerder die dag had opgestapeld. Behoedzaam ontstak hij het vuur. En ineens begon iedereen heel spontaan te zingen en om het vuur te dansen. 'Eén ei is geen ei, twee  ei is een half ei en drie ei is een Paaaas-ei.' Het vuur was lekker warm en wierp een mysterieus licht op ons en de bomen aan de rand van het weiland. De vlammen stegen tot ver boven ons hoofd. Het natte hout knetterde en de vonken spatten in het rond. Mijn vader hield het vuur en ons scherp in de gaten. ‘Niet te dicht bij’, ‘Kijk uit’, ‘Pas op.’ Voor mijn gevoel ging het door tot diep in de nacht. Maar dat zal wel niet.

De volgende dag was nog leuker. We gingen terug naar dezelfde plek in het bos. De houtstapel was een smeulende hoop as geworden. Mijn moeder had een picknickmand meegenomen. Mijn vader sneed een paar takken schoon en daar kneedden we klompjes brooddeeg omheen. Deze hielden we boven de hete smeulende hoop. Toen het brood gaar was, smeerden we een klont boter en jam in het gat dat de stok in het brood had achtergelaten. Zo'n heerlijk broodje heb ik van mijn leven niet meer gegeten.

Dit bos blijft altijd van mij.

 

Marjolein van den Berg

Pin It

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien