Na het wonder van de vijf broden en twee vissen die genoeg waren voor meer dan vijfduizend mensen, willen ze meer. De mensen zoeken Jezus, maar hij laat ze weten dat ze hem om de verkeerde redenen zoeken. Je maag vullen is één ding, maar Jezus heeft iets veel waardevollers te bieden.



‘Weet jij waar rabbi Jezus is?’ ‘Nee. Ze zeggen dat zijn leerlingen vanmorgen met de boot zijn vertrokken. Maar Jezus was niet bij hen.’ ‘Laten we hem gaan zoeken!’ ‘Goed idee. Misschien doet hij het wel weer, je weet wel, dat met het brood.’ Een groep mensen kijkt naar de manden met resten brood en vis van de vorige dag. Toen had Jezus op wonderlijke wijze gezorgd voor genoeg brood en vis voor meer dan vijfduizend mensen! Dat was heel bijzonder. Iedereen had er de mond vol van. Geen wonder dus dat vanmorgen de één na de ander had besloten om Jezus weer op te zoeken op ditzelfde strand. Wie weet wat voor moois hij nu weer voor elkaar krijgt. Maar Jezus is niet op het strand, niemand heeft hem sinds gisteravond nog gezien. Ze besluiten in bootjes naar de overkant van het meer te gaan. Misschien is hij daar.

Een paar uur later hebben ze Jezus gevonden aan de overkant van het meer. ‘Jullie zoeken me omdat het brood je gister smaakte en je buik vulde’, zegt Jezus. ‘Je kunt beter zoeken naar voedsel dat niet vergaat. Dat kan ik ook geven.’ ‘Wat moeten we daarvoor doen?’ ‘Geloven dat ik de zoon van God ben’, antwoordt Jezus. Dat is nogal wat. Je kunt niet zomaar geloven dat iemand de zoon van God is, toch? ‘Doe dan es een wonder! Dan weten we dat u van God bent. Zoals Mozes bijvoorbeeld. Die liet het brood regenen in de woestijn.’ ‘Dat deed Mozes niet,’ zegt Jezus, ‘dat deed mijn Vader. Die geeft hemels brood dat leven geeft aan de wereld.’ ‘Dat brood willen we wel!’, roepen de mensen in koor.

‘Ik ben dat brood dat uit de hemel komt’, zegt Jezus. ‘Als je bij mij komt, heb je geen honger of dorst meer.’ Hij zwijgt even en kijkt naar de mensen die hem niet-begrijpend aankijken. Dan: ‘Maar zoals ik al zei: jullie geloven het toch niet, zelfs al zie je het.’ ‘Ja hoor, het zal wel’, mompelt iemand. ‘Hij is toch gewoon de zoon van Jozef en Maria? En dan beweert hij dat hij uit de hemel komt.’ ‘Ik hoor het wel,’ zegt Jezus. De man schrikt. Hij had het toch echt zachtjes tegen zijn buurman gemompeld. Jezus kijkt hem aan en zegt: ‘Je gelooft het niet. Maar toch is het zo. En echt, ik verzeker je, wie in mij gelooft heeft eeuwig leven. Onze voorouders waren bevrijd uit de slavernij. Toen kwamen ze in de woestijn en kregen ze de wet, zodat ze als volk samen vooruit konden met hulp van God. Omdat ze honger hadden, kregen ze manna, het brood dat elke dag uit de hemel regende. Dat vulde hun magen en hield hen in leven, maar niet eeuwig. Ze zijn allemaal op een gegeven moment doodgegaan van ouderdom of ziekte. Ik daarentegen…’ Jezus wijst op zichzelf en kijkt de mensen om zich heen één voor één aan. ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel neerdaalt. Ik geef wel eeuwig leven.’

Gepubliceerd in Kind op Maandag, februari 2007, voor groep 5-8 basisschool.

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien