Opnieuw een verhaal waarin een machteloos groepje ongeregeld het wint van een sterke overmacht, dankzij de hulp van de Eeuwige.

Gideon verslaat de Midjanieten

Rechters 7

“Wat zijn ze met veel!”, zegt Pura. “Het lijkt wel een sprinkhanenplaag. En moet je al die kamelen zien. Dat zijn er meer dan de zandkorrels op het strand!”
Samen met zijn baas Gideon kijkt hij uit over de vlakte beneden hen. Daar, in de verte glinstert de rivier de More in de ochtendzon. Het ziet er bruin van de kamelen en tenten. Dat is het kamp van de Midjanieten. Ze hebben hun leger versterkt met huurlingen van Amelek en andere nomadenstammen. Net als vorige jaren zullen ze oprukken om de rijpe oogst te verwoesten en het land te plunderen.

“Ik ga een deel van onze mannen naar huis sturen”, zegt Gideon.
“Wat???” Pura kijkt alsof Gideon gek is geworden. “Waarom?”
“Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat de Eeuwige zelf ons de overwinning geeft. Als we met een groot leger zijn, denken de mensen dat we zelf hebben gewonnen.”

De volgende morgen vertelt Gideon dat iedereen die bang is, naar huis mag gaan. Naar vrouw en kinderen. “Ik meen het, niemand zal je uitlachen.” De mannen aarzelen. Dan staat een jonge man op. “Ik heb een zoontje van drie weken”, legt hij uit.
“Logisch”, zegt Gideon, “Wat doe je hier nog? Ga terug en wees een vader voor je zoon.”
“Mijn vrouw is ziek”, zegt een ander. Een derde: “Ik moet voor mijn vader zorgen.” “Ik ga met je mee.” “Ik ook.”
Aan het eind van de ochtend hebben tweeëntwintigduizend soldaten hun biezen gepakt. Nog niet eens éénderde deel van het leger is overgebleven om te vechten.

Als de zon hoog aan de hemel staat, neemt Gideon de overgebleven soldaten mee naar het bergmeer. In groepen van vijftig laat hij hen het heldere, koele water drinken. Zonder bekers of kommen. Gideon kijkt toe. De meeste mannen gaan op hun knieën zitten en gebruiken hun hand als kommetje om het water mee op te scheppen. Een paar mannen gaan plat op hun buik liggen en lebberen met hun tong het water op, zoals honden dat doen. Precies die mannen kiest Gideon uit voor zijn elitelegertje. Driehonderd soldaten zijn het. Een zootje ongeregeld. De anderen moeten hun drinkkruiken, fakkels en hoorns afstaan en worden naar huis gestuurd.

“Gideon, er zijn nu wel heel weinig soldaten over”, zegt Pura bezorgd. “Ben je zeker dat dit de bedoeling is?”
“Kom mee, we gaan ze afluisteren”, zegt Gideon. Samen sluipen ze naar beneden.
Vlak bij het kamp schuilen ze achter een paar struiken. Twee wachters staan met elkaar te kletsen. Het maanlicht glinstert op hun schilden. “Joh, ik had vannacht zo'n gekke droom!”, zegt de één. “Moet je horen. Een gerstekoek rolde van de berg, met enorme vaart door het kamp en wierp een tent omver. Raar hè?” “Dat is niet best,” zegt de ander, “het moet wel betekenen dat de God van Gideon ons aan hem uitlevert.”

Gideon geeft Pura een tikje op de arm en gebaart dat ze terug de berg op gaan. Als ze buiten gehoorsafstand zijn, vertelt Gideon: “Ik was eerlijk gezegd niet zeker of we echt met zo'n klein leger zouden moeten gaan. Maar wat je net hoorde, die droom van die soldaat, dat is een teken van God. We gaan ze vannacht aanvallen.”

Als ze terug zijn deelt Gideon zijn legertje in drie groepen van honderd man. Ze omsingelen het kamp van de Midjanieten. Midden in de nacht blaast Gideon op de ramshoorn. Vlak daarna klinkt van alle kanten het gejank van ramshoorns en het gekletter van brekende kruiken. “Te wapen voor de Heer en Gideon”, roepen ze. Het geluid weerkaatst tegen de bergwanden, waardoor het lijkt of er nog tien keer zoveel soldaten schreeuwend op de Midjanieten in het dal afkomen.

De soldaten van Midian springen hun tenten uit en zien overal fakkels om hen heen. In het wilde weg slaan ze met hun zwaarden en treffen daarmee hun maten. Hals over kop vlucht iedereen die vluchten kan het duister in, naar het Noorden. Een klein legertje achtervolgt hen. Bij de Jordaan wordt hen de pas afgesneden door de mannen van Efraïm. Die waren door bodes van Gideon gewaarschuwd. Zij doden Oreb en Zeëb, de laatste twee generaals van het Midjanitische roversleger. De rots van Oreb en de Perskuip van Zeëb herinneren nog altijd aan de plaats waar de Heer met een Gideonslegertje het volk bevrijdde van de bezetters.
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien