Eerste hoofdstuk uit Wij willen het anders! Leesboek jodendom voor groep 5 en 6. Echelon/Damon, 2005.



Deze moet raak zijn. Nahal richt haar rieten buisje op Abe.
Abe loopt met zijn riet in de aanslag haar kant op. Hij ziet haar niet. Ze zit verstopt achter een struik. Nahal ziet hoe Abe haar zoekt. Dan blaast ze en … petsss. Raak!!! Het besje spat uit elkaar op zijn voorhoofd. Het rode goedje druipt naar zijn wenkbrauw. Abe veegt erover met zijn mouw. Nu is zijn hele voorhoofd rood. Lachend komt Nahal tevoorschijn: ‘Haha! Die was raak!’
‘Rotgriet!’ roept Abe, ‘Ik ga het zeggen. Mamááá!’ Abe rent huilend naar huis.
Nahal zucht. Met haar voet veegt ze wat steentjes van het pad. Abe kan ook niks hebben. Haar moeder trekt hem altijd voor. Kijk maar: daar staat ze al in de deur, haar handen in haar zij.
‘Nahal, kom eens hier!’
‘Nee.’
‘Wat heb je met Abe gedaan?’ Ze klinkt boos.
‘Niks', antwoordt Nahal. ‘We schoten besjes. Abe kan niet tegen zijn verlies.’
‘Ga sorry zeggen tegen je broer.’
‘Nee.’
Haar moeder dreigt: ‘Moet ik je komen halen?’
‘Oké dan. Sorry, aansteller’, zegt Nahal. Abe grijnst.
Nahal loopt weg. ‘Ik speel nooit meer met je!’ zegt ze. ‘Jongens zijn stom.’

Nahal loopt naar de rivier. Daar, tussen het riet, heeft ze haar geheime plek. Van dode bladeren heeft ze een eilandje gemaakt.
Een groot vogelnest lijkt het wel. Hier ligt Nahal vaak naar de wolken te kijken en naar de vogels te luisteren.
Ze laat zich op de zachte bladeren vallen. Een roerdomp roept in de verte. Nahal houdt van het diepe geluid van de roerdomp. Het klinkt een beetje droevig. Mooi droevig.
Ze sluit haar ogen. Ze droomt dat ze een Egyptische prinses is. Haar zeilschip glijdt zachtjes over de Nijl. Bedienden wuiven haar koelte toe met waaiers van rietpluimen. Langs de kant staan mensen te zwaaien. Prinses Nap hoeft alleen terug te zwaaien als ze dat zelf wil. Niemand zegt haar wat ze doen moet.
Kijk, daar staat Abe op de oever. Hij moet ook zwaaien. Hij is geen prins. Hij is gewoon een Hebreeër. Hij moet stenen maken aan de rivier. Net als alle andere kinderen van zijn volk. Prinses Nap hoeft dat natuurlijk niet te doen. Want zíj is prinses.

Nahal hoort voetstappen op het pad. Iemand neuriet een liedje.
Voorzichtig gluurt ze tussen het riet. Het is haar buurvrouw, Miriam. Samen met haar oude ouders woont ze in het lemen huis naast Nahal. Miriam heeft een mand bij zich. Ze knoopt haar rok op. Dan hurkt ze met haar voeten in het water. Met haar hand schept ze water in de mand.
Heel stil sluipt Nahal naar het pad. Niemand mag haar geheime plek weten. Zelfs Miriam niet.
Pas als ze op het pad is, roept ze Miriam: ‘Hallo Miriam. Wat ben je aan het doen?’
‘Ik was de linzen. Heb je zin om te helpen?’
‘Dat is goed’, zegt Nahal.
‘Kijk, je roert met je handen. Zo’, legt Miriam uit, ‘tot alle zand weg is. En deze steentjes haal je er tussen uit. Hier, neem jij het deksel maar.’
Het is een prettig werkje. De platte boontjes en het koele water glijden tussen Nahals vingers.

‘Miriam?’ vraagt Nahal.
‘Ja?’
‘Vind jij jongens ook zo stom?’
Miriam moet lachen. ‘Nee,' zegt ze, 'niet alle jongens. Hoezo?’
‘Abe doet altijd zo kinderachtig’, zegt Nahal.
Miriam legt uit: ‘Hij wordt verwend door je vader en moeder.’
‘Omdat hij een jongen is?’ wil Nahal weten.
‘Dat ook’, zegt Miriam. ‘Maar dat is het niet alleen. Weet je dat je ouders vroeger nog een zoon hadden?’
‘Ja. De eerste Abe’, antwoordt Nahal. ‘De soldaten hebben hem vermoord.’
‘Je vader en moeder waren erg verdrietig. Toen jouw jongste broertje werd geboren, waren ze dolblij. Het was een beetje alsof hun oudste zoontje weer terug was.’
‘Zijn ze daarom zo bang dat ze hem kwijt raken?’ wil Nahal weten.
‘Waarom denk je dat?’
‘Omdat ze altijd zeuren: “Pas je goed op Abe?”, “Zorg dat hij niet in het water valt!”, “Zorg dat hij niet gebeten wordt door een slang.” En Abe is al zes! Bij mijn zussen en mij deden mijn vader en moeder nooit zo.’
Beiden zwijgen een tijdje.

‘Miriam?’ vraagt Nahal.
‘Hm?’
‘Waarom doodden de soldaten onze eerste Abe?’
‘Dat is een lang verhaal. Lang geleden kwam onze over-over-over-over-grootvader Yakov hier in Egypte. In zijn eigen land Kanaän was geen eten. De Farao zei dat Yakov en zijn kinderen hier altijd mochten blijven wonen. We werden een groot volk.
Toen kwam er een nieuwe Farao. Die vond dat er teveel Hebreeërs waren en liet ons slavenwerk doen. Hij dacht dat onze mensen dan te moe waren om kinderen te krijgen. Maar nog steeds werden er kinderen geboren. Toen stuurde de Farao soldaten. Die doodden alle pasgeboren jongetjes. Het was vreselijk! Nog nooit waren er zoveel huilende mensen in het dorp.’

Nahal denkt even na. Ze gooit een steentje in het water. Een vis hapt er naar en spuugt het weer uit.
‘Maar’, vraagt Nahal, ‘jij hebt toch twee broers? Hoe kan dat?’
‘Mijn oudste broer, Aharon, was geen baby meer toen de soldaten kwamen’, antwoordt Miriam. 'En mijn jongste broertje is gered. Mijn moeder had hem in een mand gelegd. Net zo’n mand als deze.’ Miriam wijst naar de mand waarin ze de linzen wast. ‘Mijn moeder had de mand waterdicht gemaakt met pek en er een zacht bedje in gemaakt. In het deksel zaten gaatjes zodat hij kon ademen. Samen brachten we hem naar de rivier. De mand bleef goed drijven. Ik verstopte me tussen het riet en lette op wat er gebeurde. Prinses Mapti kwam om zich te wassen in de rivier. Ze zag de mand en riep haar hofdame. Samen openden ze de mand. Toen de prinses mijn broertje zag, riep ze: “Oh, wat is hij lief! Ik wil hem houden!” Maar ze had iemand nodig die hem de borst kon geven. Toen kwam ik uit het riet. Ik zei: 'Mijn moeder kan voor hem zorgen.’ Daarom mocht hij bij ons wonen. Maar toen hij drie jaar was, moest hij naar het paleis. Dat was de afspraak. Hij kreeg daar de naam Mosjè. Zo werd hij een Egyptische prins.’
Een gans zwemt langs. Nahal kijkt hem na. De gans trekt een ‘V’ van golfjes achter zich.
‘Die broer, Mosjè’, vraagt Nahal, 'woont die nog steeds in het paleis?’
‘Nee, nu niet meer’, antwoordt Miriam. ‘Op een dag sloeg hij een opzichter dood. Toen is hij gevlucht. Dat is alweer vier jaar geleden. We hebben nooit meer iets van hem gehoord. Ik ben bang dat er iets ergs is gebeurd. De woestijn is gevaarlijk voor een prins uit Egypte.’
Miriam staat op. ‘Kom, die linzen zijn nu wel schoon. Het is tijd om naar huis te gaan.’ Ze zet de mand met linzen op haar hoofd. Samen lopen ze het pad af naar hun dorp.

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien