Jakob is klaar voor de ontmoeting en verzoening met zijn broer. Maar ondanks de verzoening gaan hun wegen niet samen verder.

‘Papa, ik zie ze!’, roept Ruben. Hij wijst in de verte. Vlakbij de horizon is een deinende vlek die snel groter wordt. Jakob had het al gezien. Zijn hart bonkt in zijn keel. Zijn knechts hadden niet overdreven: dit zijn zeker vierhonderd man, die Ezau bij zich heeft. Hij moet de kuddes, die Jakob hem als cadeau vooruit heeft gestuurd, al zijn tegengekomen. Zou het geholpen hebben?

‘Ga achter elkaar lopen’, zegt Jakob tegen zijn vrouwen. Eerst Bilha met haar kinderen, daarna Zilpa met haar kinderen. Daarachter Lea en haar kinderen en tenslotte Rachel met de kleine Jozef op haar arm. Jakob zelf loopt voorop. Als Ezau zijn vrouwen en kinderen wat wil aandoen, moet hij eerst langs Jakob. Niet dat het veel uitmaakt, want wat kan Jakob in z’n eentje tegen vierhonderd man, maar toch.

Als Ezau en zijn mannen zo dichtbij zijn dat Jakob hem persoonlijk kan onderscheiden tussen de anderen, buigt hij diep. Hij doet een stap naar voren en buigt nogmaals diep. En dan nog een keer, en nog een keer. Zeven keer buigt hij.

‘Jakob!’, roept Ezau. Hij laat zich van zijn kameel glijden en rent op zijn broer af met gespreide armen. ‘Jakob, je bent het echt!’ De beide broers vliegen elkaar in de armen en omhelzen elkaar. Beiden moeten ze huilen. Van blijdschap en om wat er achter hen ligt. Als ze elkaar eindelijk loslaten, vraagt Ezau: ‘wat moesten al die kudden voorstellen, die ik tegenkwam onderweg?’ ‘Voor u, mijn heer’, zegt Jakob. ‘Man, ga weg!’, zegt Ezau, ‘we zijn toch broers?’ ‘Ik wil graag dat u het aanneemt’, zegt Jakob. ‘God heeft me rijk gezegend, u hoort te delen daarin.’ ‘Ach wat,’ zegt Ezau, ‘ik heb genoeg. Hou je kuddes.’ Maar als Jakob volhoudt, neemt Ezau het cadeau aan.

‘En wie zijn dat?’ vraagt Ezau, met een blik op de vrouwen en kinderen. Jakob stelt zijn vrouwen en kinderen aan Ezau voor, allemaal. ‘Je bent echt rijk gezegend’, zegt Ezau. ‘Joh, wat ben ik blij voor je. En stop nou eens met dat nederig doen en je gemeneer. We zijn tweelingbroers, weet je nog wel? Jongen, ik heb je zo gemist! Kom met me mee naar huis. Dan praten we verder.’

Maar Jakob ziet dat niet zitten. ‘Mijn vee is te langzaam. Ga jij maar vooruit.’ ‘Laten een paar van mijn mannen je dan begeleiden’, stelt Ezau voor. Maar ook daarvan wil Jakob niets weten. Uiteindelijk vertrekt Ezau met zijn mannen. En Jakob? Die vestigt zich met zijn vrouwen, kinderen, slaven, slavinnen, knechten, meiden en al zijn kudden bij Sichem in Kanaän.

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien