Kaïn voelt zich miskend en is jaloers op zijn broer die meer succes heeft. Hij luistert niet naar Gods waarschuwing dat het kwaad over hem zou kunnen heersen en vermoordt zijn broer. Een onomkeerbare daad, die niet oplucht. Uitsluiting is zijn deel, maar God beschermt wel zijn leven.

‘Zo, nu eerst even uitrusten.’ Kaïn ploft neer onder de vijgeboom. De hele ochtend heeft hij op de akker gezwoegd. Hij heeft de rijpe tarwe geoogst. Die ligt nu in dikke schoven naast hem. Vanmiddag zal hij de tarwe malen. Dan hebben zijn ouders al bij het avondeten broodkoeken van verse tarwe. Kaïn plukt een halm en knabbelt op de korrels. Vaak is het leven zwaar, maar nu is het goed, denkt Kaïn. ‘Met moeite zul je het veld bewerken’, had God tegen zijn vader Adam gezegd. Dat is zo. Het veld ligt vol stenen en er zijn dieren die grote delen van de oogst opeten. Maar vandaag is een mooie dag, vindt Kaïn. De oogst is goed, de zon schijnt, vogels zingen, wat wil ik nog meer? Weet je wat? Ik neem het beste van mijn oogst van vandaag en dat geef ik aan God. Ik verbrand het, dan ruikt God de heerlijke geuren. Kaïn staat op en stapelt stenen om daarop het offer klaar te maken.

‘Goed idee’, zegt Kaïns broer Abel, die met zijn kudde langskomt en ziet wat Kaïn aan het doen is. ‘Ik zal een mooi lam offeren als dank aan God.’ En ook hij gaat aan de slag.

Even later ziet Kaïn hoe de rook van Abels offer in een mooie rechte lijn omhoog gaat. Kaïns rook waait alle kanten op en slaat neer. Kaïns gezicht betrekt. Als donkere wolken trekken zijn wenkbrauwen samen. Neemt God het offer van Abel wel aan en slaat hij het mijne in de wind? Het was mijn idee! Wat heeft Abel dat ik niet heb? Nijdig schopt Kaïn zijn offer uiteen en dooft het vuur.

‘Wat kijk je donker’, zegt God tegen Kaïn. ‘Als je goed doet, kun je iedereen recht in de ogen kijken. Zo niet, kijk dan uit dat het kwaad je niet in zijn greep krijgt. Zorg dat je sterker bent dan het kwaad.’ Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De donkere gedachten hebben Kaïns binnenste helemaal gevuld. Als Abel er niet was, gaat het door zijn hoofd, zou God mij wèl zien.

‘Laten we gaan wandelen op het veld’, zegt Kaïn die avond tegen Abel. Ze lopen naar een stille plek. Als Abel zich bukt, pakt Kaïn een steen en slaat zijn broer dood. Zo, van hem heeft hij geen last meer. Maar Kaïn voelt zich niet beter. De donkere wolken blijven rond zijn hart hangen. Kaïn loopt weg, maar ook dat helpt niet.

‘Waar is je broer Abel?’ Kaïn schrikt van Gods stem.
‘Hoe zou ik dat moeten weten?’, zegt Kaïn boos. ‘Ik ben niet mijn broers oppas.’
‘Ik hoor zijn bloed uit de aarde van jouw akker naar mij schreeuwen’, zegt God. ‘Je hebt hem vermoord. Daarom zul je hier geen rust meer kennen. Ga weg, uit mijn ogen en kom hier nooit meer terug.’
‘Die straf is te zwaar!’ roept Kaïn, ‘Als ik voor U niet meer besta en over de aarde ronddool, kan iedereen me doden.’
‘Ondanks alles zal ik je beschermen’, zegt God. En hij zet een teken op Kaïns hoofd. Zo weet iedereen dat God zelf Kaïn zal beschermen. Eén moord is er al één teveel.

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien