Rebekka en Jakob gebruiken list en bedrog om Isaäk de zegen te ontfutselen. Leugen stapelt zich op leugen.

‘Ezau, mijn zoon, kom eens bij me.’ De oude, blinde Isaäk ligt op zijn mat.
Ezau komt de tent binnen. ‘Wat is er vader?’
‘Luister eens, zoon, ik ben al oud, ik zal wel gauw doodgaan. Ik wil jou mijn zegen geven. Maar dat gaat niet op een lege maag. Vang dus voor mij een lekker stuk wild en braad dat voor me. Na het eten daarvan zal ik je zegenen.’ En Ezau gaat op pad met zijn pijl en boog.

Moeder Rebekka heeft het gesprek gehoord. Vlug gaat ze naar Jakob en zegt: ‘Moet je luisteren! Ezau is gaan jagen. Je vader wil gebraden wild eten en daarna zijn zegen aan Ezau geven. Maar luister! Ga jij twee bokjes uit de kudde halen. Ik zal ze braden en dan breng jij ze naar je vader. Dan ben je Ezau te snel af en krijg jíj de zegen.’
Maar Jakob zegt: ‘Moeder, dat kan toch niet? Vader is wel blind, maar hij zal ruiken en voelen dat ik Ezau niet ben. Dan zal hij zó kwaad zijn dat hij me vervloekt.’ ‘Die vervloeking is dan voor mij,’ antwoordt Rebekka. ‘Doe nou maar wat ik zeg! Schiet op!’
Jakob haalt de bokjes, slacht ze en Rebekka maakt er een maaltijd van zoals Izaäk die het lekkerst vindt. Hij trekt kleren van Ezau aan en Rebekka bekleedt zijn armen en hals met het vel van de bokjes. Zo lijkt Jakob net zo behaard als Ezau.

Dan brengt Jakob een grote schaal met heerlijk geurend eten bij Isaäk. ‘Vader!’
’Ja? Wie ben je?’ ‘Ik ben Ezau’ liegt Jakob. ‘Ik heb gedaan wat u zei. Gaat u zitten en eet van dit wildbraad. Dan kunt u mij zegenen.’
‘Maar jongen, hoe heb je dat zo snel voor elkaar gekregen?’
‘Het sprong hier vlakbij zó over de weg. Daar heeft God voor gezorgd.’
Isaäk vertrouwt het niet. ‘Kom eens dichterbij, ik wil voelen of je echt Ezau bent.’ Jakob komt naast Isaäk staan. Isaäk voelt aan de handen van Jakob. ‘Vreemd. Het is Jakobs stem, maar ik voel de behaarde handen van Ezau. Ben jij écht Ezau?’
Jakob trilt van de zenuwen, maar hij kan niet meer terug. ‘Ja vader, echt, ik ben Ezau!’ ‘Goed’ zegt Isaäk, ‘schep maar op. Ik zal eten en daarna jou mijn zegen geven.’
Het eten smaakt heerlijk. Na het eten zegt Isaäk: ‘Geef me een kus.’ Jakob gaat op zijn knieën voor zijn vader zitten en kust hem. Dan ruikt Isaäk de geur van Ezaus kleren en zegent zijn zoon: ‘Je ruikt naar vruchtbare aarde, mijn zoon. God zal goed voor je zorgen. Jij zult de grootste zijn, je wordt de baas over je broer en over andere volken. Niemand zal het tegen jou op durven nemen.’

Jakob is nog niet uit de tent met de lege borden of Ezau komt terug van de jacht. Hij braadt het hertje dat hij heeft gevangen en maakt een heerlijke maaltijd klaar, die hij naar zijn vader brengt. ‘Wie ben jij?’ vraagt Isaäk. ‘Ik ben Ezau.’ Isaäk herkent de stem van Ezau en schrikt enorm. ‘Maar wíe heeft me dan zojuist voor de gek gehouden? Ik heb vlees gegeten en wijn gedronken en ik heb iemand anders de zegen gegeven.’ Ezau barst in tranen uit. ‘Vader, geef mij ook uw zegen!’ ‘Het spijt me vreselijk’ roept Isaäk, ‘Het kan niet. Je broer heeft de zegen afgepakt.’
Ezau is woedend. ‘Dat is al de tweede keer! Eerst pikte hij mijn eerstgeboorterecht, en nu mijn zegen.’ Hij tiert en huilt en smeekt zijn vader om dan toch een kleine zegen te krijgen. Dan zegent Isaäk ook Ezau en zegt: ‘Jakob is al gezegend tot baas over jou. Hij krijgt al het goede wat God geven kan. Jij zult moeten vechten om te overleven, je zult een knecht zijn. Maar je kunt je losrukken. Dan zul je vrij zijn.’
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien