Elia ziet het niet meer zitten. Hij is doodop van het voortdurend vluchten. Bovendien breekt zijn werk onder zijn handen af, het is vechten tegen de bierkaai. Wat hij nodig heeft om verder te kunnen is aards voedsel. Binnenkort mag Elia uitrusten. Maar eerst zal God iemand aanwijzen die het werk van Elia kan overnemen.


‘Ik kap ermee! Het is over en uit. Finito. Ik neem ontslag. Niet langer ben ik de profeet van Jahwe. Mijn halve leven ben ik op de vlucht. Ik kan niet meer, ik wil eindelijk rust. Nooit meer vluchten, nooit meer schuilen, nooit meer op mijn hoede zijn. Ik ga slapen en ik hoop dat ik nooit meer wakker word.’

De profeet Elia is doodop. Al zijn collega-profeten van Jahwe waren vermoord. Hij alleen was de strijd aangegaan met de vierhonderdvijftig profeten van Baäl. En hij had gewonnen: alleen zíjn gebed om regen was verhoord, de anderen bakten er niks van. Maar toen kwam dat briefje van de koningin.

‘Elia,
Ik vermoord je.
Morgen om deze tijd leef je niet meer,
dat geef ik je op een briefje.

Laagachtend,
Izebel.’

Toen knapte er iets in hem. Automatisch sloeg hij weer op de vlucht. Samen met zijn knecht, naar Berseba dit keer. Daar had hij tegen zijn knecht gezegd: 'Ik moet er even uit, blijf jij maar hier in de herberg.' Hij was de woestijn in gelopen, en had zich tegen de avond bij een bremstruikje laten vallen. 'Dood, kom me nu maar halen.'

‘Wakker worden, eet iets.’
Iemand stoot Elia aan. Hij doet zijn ogen open maar ziet niemand. Aan zijn hoofdeinde ligt een grote koek en een kruik water. Hij eet en drinkt en valt weer in slaap. Opnieuw port iemand hem. ‘Wakker worden Elia. Je moet eten, anders trek je het niet deze reis.’ Elia staat op, eet en drinkt en gaat lopen, zomaar, recht vooruit, veertig dagen en veertig nachten achter elkaar. Tot hij bij de berg van God komt, de berg Horeb. Het is al avond. Hij ziet een grot, gaat er naar binnen en valt in een diepe slaap.

‘Elia, wat doe jij hier in die grot?’ Elia hoort de stem, maar hij ziet niemand.
‘Ga naar buiten en ontmoet Jahwe.’
Elia gaat bij de ingang van de grot staan, maar deinst gelijk weer terug. Er loeit een verschrikkelijk zware storm. Lawines storten rondom hem naar beneden, donderend razen rotsblokken en splijten in hun val alsof het lemen potjes zijn. Dan begint de berg te trillen en te schudden. De bliksem slaat aan alle kanten in en zet hele stukken bos op de berg in brand. Maar in al dat geraas is God niet. Na een hele tijd wordt het stil. Er is alleen het geruis van een zachte bries. Elia doet zijn jas voor zijn gezicht en gaat buiten staan, bij de ingang van de grot.

Gods stem klinkt nu heel dichtbij: ‘Wat doe jij hier Elia?’
Elia antwoordt: ‘Ik heb me het vuur uit de sloffen gelopen voor U. Wat heeft het voor zin? De mensen zijn van God afgedwaald. Ze hebben zich niet aan hunwoord gehouden. Ze hebben de altaren omver gehaald en alle profeten vermoord. Ik leef nog, maar ik ben voortdurend op de vlucht. Nu heeft Izebel weer de jacht op mij geopend. Vandaag of morgen nemen ze ook mij te grazen. Ik heb er genoeg van. Laat me sterven. Er zijn genoeg die een betere profeet zullen zijn dan ik.’
Dan zegt de Stem: ‘Ga terug door de woestijn. Ga naar Damascus. Daar moet je Hazaël zalven tot koning van Aram en Jehu moet je zalven tot koning van Israël. Elisa moet je zalven tot jouw opvolger. De beide koningen zullen het voor elkaar opnemen. En een klein groepje, zevenduizend man die niet voor Baäl hebben gebogen, zal het voor Mij opnemen.
Daarna mag je uitrusten, kom dan naar mij toe. Ik wacht op je.
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien