Met gevaar voor eigen leven gaat Elia de confrontatie aan met koning Achab. Het volk mag niet langer van twee walletjes eten. In een offerwedstrijd wordt duidelijk: Jahwe, de God van Abraham, Izaäk en Jakob is de almachtige, die in staat is zowel verzengend vuur als voedende regen te sturen.


Het heeft al anderhalf jaar niet geregend. Elia loopt door de dorre heuvels van Samaria. Hij is op weg naar koning Achab. Net kwam hij Obadja tegen, de opperstalmeester van de koning. ‘De koning? Wil jij naar de koning? Die maakt je dood, dat weet je toch?! Dat heeft hij een paar jaar geleden ook geprobeerd.’ Maar Elia is niet bang. God heeft hem een opdracht gegeven, hij moet en zal de koning spreken. Obadja brengt hem naar de koning.

Als koning Achab hoort dat Elia er aan komt, stevent hij hem met grote stappen tegemoet. Al van verre roept hij hem toe op dreigende toon: ‘Zo, daar hebben we Elia. De man die ons land in het ongeluk stort!’ ‘Neem me niet kwalijk’, reageert Elia, ‘Ik stort u niet in de ellende, u doet dat zelf met uw koninklijke familie. U luistert niet naar God en u buigt voor Baäl. Maar dat wilt u niet horen, zeker? U kunt geen twee heren dienen. Dat gaat mis. Gelooft u me niet? Ik zal laten zien wie de Eeuwige God is. Ik zal het bewijzen. Laat alle mensen verzamelen op de berg Karmel en roep ook de vierhonderdvijftig profeten van Baäl.’

Als iedereen er is roept Elia tot de mensen: ‘Jullie willen van twee walletjes eten. Stop daar toch mee. Maak je keuze, voor Jahwe of voor Baäl. Wie wil je dienen?’ Niemand zegt iets. ‘Zullen we zien wie de levende God is? Samen met mijn God Jahwe neem ik het op tegen de vierhonderd profeten van Baäl. Dan zullen we zien wie van de twee echt onze God wil zijn.’

Ze spreken af dat er twee offers worden klaargemaakt. Eén voor Baäl en één voor Jahwe. Alleen het vuur mag niet door mensen worden aangestoken. Dat moet God of Baäl zelf doen. Eerst mogen de Baälpriesters. Ze maken het offer klaar en dansen de hele dag om het altaar en roepen Baäl om vuur voor het offer. Maar er gebeurt niets. ‘Misschien is hij even wandelen of doet hij een tukje?’ treitert Elia. ‘Je moet harder roepen.’ Ze gaan als gekken tekeer, ze snijden zichzelf tot bloedens toe met hun zwaarden, maar het helpt niets. Baäl zwijgt.

Dan zet Elia de twaalf stenen van het altaar voor Jahwe weer overeind die Achab omver had laten halen. Hij maakt het offer klaar en laat het overgieten met emmers water zodat het druipt van nattigheid. Elia bidt: ‘Jahwe, God van Abraham, Izaäk en Jakob, laat zien dat U God bent en ik uw profeet. Zodat de mensen u weer dienen.’ Als een donderslag bij heldere hemel slaat de bliksem in op het offer. In een paar seconden zijn stier, altaar en de grond eromheen verkoold. Alleen een hoopje as blijft over. De mensen duiken plat op de grond en roepen: ‘Dit is waarachtig onze God, Jahwe is onze God!’

Even later gaat Elia de berg op met zijn knecht. Met zijn hoofd tussen zijn knieën bidt hij God om regen. Telkens moet de knecht naar de top lopen om te kijken of er al regen komt. Na zeven keer komt de knecht terug: ‘Ik zie een heel klein wolkje. Niet groter dan een hand.’ De knecht moet rennen naar het kamp van Achab. Die moet snel opbreken en naar huis gaan, anders zal hij in het noodweer terechtkomen. Elia snelt Achab vooruit. Boven hem ziet de lucht al zwart van de naderende regenbuien.
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien