Een weduwe geeft de man van God onderdak. Ze handelt daarmee naar de regels van gastvrijheid. Als haar zoon sterft, werpt de profeet Elia al zijn onderhandelingsgaven in de strijd om de Eeuwige te overtuigen dat Hij dit deze gastvrouw niet aan kan doen. God hoort.



Het is snikheet. De zon prikt ongenadig in het dorre land van Sidon. Iedereen heeft de schaduw opgezocht. Alleen langs de dorre struiken bij de stadspoort van Sarefat scharrelt een vrouw. Af en toe raapt ze een takje op van de grond en legt het bij de andere in haar schort. Hasjanna veegt met haar mouw het zweet van haar voorhoofd. Nog een paar takjes. Dan zal ze thuis een vuurtje maken om een broodje te bakken voor haar en haar zoon Gersom. Voor één broodje heeft ze nog olie en meel in huis. Dan is alles op. Het heeft in Sidon al in geen tijden meer geregend. De groenten en het graan op Hasjanna’s landje zijn allemaal doodgegaan. Vanmiddag zullen ze hun laatste broodje eten. En dan? ‘Niet aan denken Hasjanna!’ zegt ze tegen zichzelf.

‘Mevrouw?’ Hasjanna kijkt op. Wie roept haar? In de schaduw bij de stadspoort wenkt een oude man haar. Hij is niet van hier, dat ziet ze aan zijn kleren. Hasjanna loopt naar hem toe. ‘Goedemiddag. Riep u mij?’ De man reikt haar een kruik aan. ‘Wilt u zo vriendelijk zijn om water voor mij te halen?’ Geen probleem. Alleen vrouwen mogen water uit de bron putten. Hasjanna doet het graag voor deze vreemdeling. Dat hoort bij de regels van gastvrijheid. Terwijl ze met de kruik naar de bron loopt, roept de man haar na: ‘Wees zo goed en breng voor mij ook een stuk brood mee?’. Hasjanna draait zich om naar de man en spreidt haar handen in een machteloos gebaar: ‘Het spijt me, meneer. Ik zou het graag doen, maar alles wat ik heb is een handje meel en een paar druppels olie. Daarvan ga ik straks voor het laatst een broodje maken voor mijn zoon en mij. Daarna zullen we wachten op de dood.’

‘Maak je geen zorgen.’ antwoordt de man. ‘Bak dat broodje, maar geef het aan mij. God zorgt ervoor dat je meel en olie niet zullen opraken voordat het gaat regenen in dit land.’ Nou nog mooier! Die vreemdeling vraagt wel erg veel. Moet ze nou zelfs hun laatste eten aan hem geven? Maar iets in Hasjanna zegt haar dat ze beter wel kan doen wat hij gezegd heeft. En warempel! Het meel en de olie raken niet op, elke dag is er brood. De man heet Elia. Hij blijft bij Hasjanna en Gersom wonen. Hij is een man van God. Dat weet Hasjanna, sinds hij er is, raakt de olie en het meel niet op. Er is genoeg eten voor hen alledrie.

Maar dan wordt Gersom ziek. Doodziek. Hasjanna doet wat ze kan, maar niets helpt. Gersom sterft. ‘Wat ben jij voor een profeet?’, roept Hasjanna bitter tegen Elia. ‘Eerst verloor ik mijn man, nu mijn zoon. Heeft jouw God je gestuurd om mij mijn enig kind af te nemen?’ Elia kan het verdriet van Hasjanna niet aanzien. Hij neemt Gersom in zijn armen en legt hem in zijn logeerkamer op bed. Dan bidt hij: ‘Jahwe, mijn God. Dit kunt u toch niet maken! Hasjanna is zo gastvrij en nu laat u haar enige kind sterven?’ Dan gaat Elia drie keer met zijn volle gewicht bovenop de dode jongen liggen, alsof hij van zijn eigen leven aan hem wil doorgeven. Hij bidt: ‘Alstublieft, God, laat deze jongen weer leven!’ Jahwe verhoort Elia’s gebed. De jongen gaat weer ademen en doet zijn ogen open. ‘Waar ben ik? Waar is mama?’ Elia draagt hem naar zijn moeder. Hasjanna gilt van blijdschap en knuffelt Gersom tot hij zegt. ‘Ik heb honger. Mag ik een koek?’ ‘Kijk hem toch eens!’ zegt Hasjanna, terwijl ze toekijkt hoe Gersom een koek eet. ‘Sorry dat ik aan je twijfelde, Elia. ’
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien