De schriftgeleerden kunnen het goed vinden met zichzelf. Tenminste, dat denken ze. Jezus zoekt ander publiek. Op een speelse manier laat Hij zien dat God juist het verlorene zoekt. In de bijbeltekst worden geen namen genoemd. Om het verhaal levendiger te maken hebben in deze navertelling de personages wel een naam gekregen.


'Moet je nou toch eens kijken!' Professor doctor Jivar stoot zijn collega Mesjon aan. Ze komen net uit de tempel. Daar hebben ze godsdienstles gegeven. Het zijn knappe koppen, die Jivar en Mesjon. Al hun hele leven zitten ze met hun neus in de boeken. Heerlijk vinden ze het. En lesgeven doen ze ook graag.

Jezus was één van hun leerlingen. Een veelbelovende jongen. Hij was heel leergierig, vooral als het over God ging. Bijna dagelijks was hij in de tempel te vinden en stelde hij vragen aan de professoren. Nu is Jezus zelf leraar geworden. Een straatleraar, zoals er wel meer ziet. Ze staan vaak op straathoeken, met een groepje mensen om zich heen. Dan geven ze een lesje over het een of ander. Gratis, voor wie het maar wil horen. Over wat je mag eten, over bidden, over geven.

Maar die Jezus – tja – hoe zullen we het zeggen. Die trekt het verkeerde publiek. Kijk hem nou eens staan daar. Kijk eens naar de mensen om hem heen. Dronkenlappen. Hoeren. Mismaakten. Dieven. Gestoorden. Het is een schande, vinden Jivar en Mesjon. Daarmee bezorgt Jezus de tempel een slechte naam!

Jezus ziet hen staan. 'Salaam meester Jivar en meester Mesjon! Komt u er toch bij!' roept hij, 'ik heb een mooi verhaal.' Jezus kan mooi vertellen, dat moeten de professoren toegeven. Ze aarzelen. Ach, het kan geen kwaad. Een beetje op afstand dan.

Jezus begint. 'Er was eens...' Dat is een goed begin. Zo beginnen bijna alle mooie verhalen. 'Er was eens een herder. Hij had een grote kudde van wel honderd schapen. Maar hij kende ze allemaal, stuk voor stuk. Elk schaap had hij een eigen naam gegeven. Op een dag brengt de herder zijn kudde naar een hoger gelegen weide. Als alle schapen lekker aan het grazen zijn, kijkt de herder eens goed. Hij schrikt. Hij kijkt nog eens. Het is echt waar: hij mist er eentje! Jenka is er niet. Jenka is een jong, nieuwsgierig schaap. Ze wil altijd alles onderzoeken. De herder bedenkt zich geen moment. De schapen die bij elkaar zijn, kunnen zich wel even redden. Jenka is alleen en machteloos tegenover een leeuw of hyena. Hij rent terug naar beneden en gaat haar zoeken.

'Jenka! Jèèèènka!' roept de herder. Hij zoekt en zoekt. Achter bomen, onder struiken. Zelfs onder grote stenen gluurt hij. Je weet maar nooit. Misschien vindt hij een aanwijzing, een plukje wol, een drupje bloed...

'Jèèèèèèènka!' Wacht eens, hoorde hij niet... De herder staat stil en houdt zijn adem in. Heel in de verte hoort hij zwak geblaat. 'Meuheuuheuheuheu...' klinkt het. Hij rent op het geluid af. Daar is ze! Haar vacht zit vast in de stekelige takken van een braamstruik. De lekkerste bramen zitten altijd het diepst in de struik. 'Jenka! Gelukkig! Dáár ben je!' roept de herder blij. Hij peutert haar los, tilt haar op en duwt zijn neus in haar vacht. 'Ik heb je toch zó gemist!' Dan draagt hij haar naar de kudde.

De mensen klappen. 'Bravo!' 'Mooi verhaal!' 'Wat een goede kerel, die herder!' zegt een man met een kruik wijn in zijn hand. 'Precies,' zegt Jezus, 'En zal ik je eens wat vertellen? In de hemel zijn ze net zo blij als die herder als er iemand, die de weg kwijt was, wordt teruggevonden.'

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien