De god die geen b zei

Jona, naverteld voor een breed publiek.12+
De oude zwerver kwam een paar keer per week in ons inloophuis in de binnenstad. Voor een kop koffie en de krant. Na een uurtje vertrok hij dan weer. Als iemand een praatje probeerde te maken, stond hij op en beende de deur uit. We lieten hem met rust: als hij behoefte had aan contact zou hij dat zelf wel aangeven. Op een keer riep hij ‘Godallemachtig’ toen twee bezoekers over hun geloof spraken. Daarna reageerde hij steeds vaker op anderen. Zijn opmerkingen waren meestal bitter. ‘God bestaat, maar je kunt beter niets met hem te maken hebben.’ Langzaam maar zeker begon hij over zichzelf te vertellen. John heette hij. Getrouwd geweest, een dochter van twee toen hij met de noorderzon vertrok. ‘Denk niet dat ik het er makkelijk mee had. Ik kon niet anders, ik móest weg. Ik wist niet waar ik heen ging. Lopen, lopen, dag in, nacht uit, zonder uit te rusten. Ze zeggen wel eens “alsof de duivel je op de hielen zit”, maar bij mij was het alsof God me op de hielen zat. Van de duivel kan je nog winnen, tegen God leg je het uiteindelijk altijd af.’

Weg van alles

Hij kwam bij een haven en mocht tegen betaling mee op een tanker. Een week sliep hij vrijwel ononderbroken. Hij raakte steeds verder van huis. Midden op de Atlantische oceaan kwamen ze in een hevige storm en dreigde de tanker te kapseizen. John sliep onderin en merkte er weinig van, tot iemand van de bemanning hem wekte. ‘Ik geloofde mijn ogen niet: die zeebonken knielden en waren bezig met gebedskettinkjes, ieder volgens zijn eigen geloof. ‘Jongens, houd maar op!’ brulde hij boven de wind uit, ‘Het is mijn schuld.’ Ze keken hem aan alsof hij gestoord was. Maar hij wilde nog steeds weg van alles en dit was zijn kans. Hij zei: ‘Mijn God heeft de zee en de wind gemaakt. Ik probeer tevergeefs te vluchten voor zijn opdracht. Gooi mij maar in zee, dan gaat de storm wel liggen.’ ‘Ze vroegen me het hemd van mijn lijf. Ze wilden er niet aan. Totdat één van de mannen tarotkaarten legde, die bevestigden wat ik had gezegd. Toen hebben ze me toch overboord gegooid. Koud en zwart was het water en ik zonk weg in het niets. Eindelijk rust.’

Crimecity

‘Niet dus. Ik herinner me flarden: een orka, duisternis, bijna stikken. Iets in me wilde leven. Ik heb God geroepen, beloften gedaan. Ik werd wakker in een ziekenhuisbed. De mensen spraken een taal die ik niet kende. Ze zorgden goed voor me.’ Toen John weer op krachten was, is hij weggegaan. Dit keer recht op zijn doel af, want ‘daar was kennelijk toch geen ontkomen aan.’ Hij meende een boodschap van God te moeten verkondigen in een bepaalde stad. Die stad was berucht tot in de verre omtrek en werd ook wel “Crimecity” genoemd. ‘Mishandelingen, berovingen, afpersing. De kogels vlogen om je oren. De burgemeester was nog corrupter dan zijn wethouders. Ouders exploiteerden hun eigen kinderen in de sexindustrie. Jeugdbendes maakten elkaar af op klaarlichte dag. Niemand ging ongewapend de straat op. Hier gold het recht van de sterkste. Met knikkende knieën ben ik de stad in gegaan. Hoe dichter je bij het centrum kwam, hoe desolater het werd. Aan de rand van het centrum ben ik op een muurtje gaan staan op de hoek van een plein. Daar heb ik een paar keer in het rond geroepen: ‘Dit is een boodschap van God, jullie gaan er aan. Over veertig dagen gaat deze stad plat.’ Van alle kanten kwamen de mensen. Ik verwachtte dat ze me zouden lynchen of uitlachen. Maar tot mijn stomme verbazing namen ze mijn woorden serieus. Ze sloegen zich tegen het hoofd, mannen huilden als kleine kinderen. De burgemeester kondigde een officiële rouwperiode aan. Wapens werden ingeleverd, gewonden verzorgd, kinderen konden op straat spelen. Ik snapte er niets van.’

Zo makkelijk

Buiten de stad wachtte John de gebeurtenissen af. Maar er gebeurde niets! Nijdig riep hij tegen God: ‘Waar slaat dát nou op? Wie A zegt moet ook B zeggen. Je zet me voor joker.’ Maar God had zich bedacht, omdat de stedelingen spijt toonden en hun leven beterden. God wilde vooral ook de kinderen een kans geven. John reageerde: ‘Kom nou! Zo gemakkelijk komen ze er toch niet van af? Even “sorry” en een paar tranen en het is oké? Denk eens aan al dat zinloos geweld, de verminkte levens! Hebben de slachtoffers geen recht op vergelding? Nee, God, dat kan je niet maken! Je gelooft toch niet dat van nu af alles pais en vree is?’ John dacht God te hebben overtuigd. Naast hem groeide in een paar uur een wonderboom, die heerlijk koele schaduw gaf. Hij zag het als een teken dat God naar hem had geluisterd en zijn humeur klaarde op. Maar de volgende dag was de boom dood. Ziedend was John, hij tierde dat hij dood wilde. Dat gebeurde bijna: door de brandende zon en een harde, droge oostenwind raakte hij uitgedroogd en raakte buiten bewustzijn. Mensen uit de stad brachten hem naar hun huis en verzorgden hem. Op hun aandringen is hij daar nog zeker een maand blijven logeren. Toen ging hij weer zwerven.

Het is hem nooit meer gelukt zich ergens te settelen. Hij komt in veel steden, maar preken over hel en verdoemenis zal hij nooit meer doen. ‘God maakt het toch niet waar. Het is een rare God, die Jahwe.’

(Naar het bijbelboek Jona. Gepubliceerd in Open Deur, september 2003)
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien