Geschikt voor 9+
In het dal, onder de brandende zon, zit een groepje mannen. Om hen heen liggen afgebroken speren, en gewonde krijgers en paarden. De mannen kijken er niet naar. Ze hebben alleen oog voor Bhisma. Hij was hun held. Geen krijger was zo moedig als hij. Maar nu ligt hij doorzeefd met pijlen. Hij lijkt wel een speldenkussen! Geen dokter kan hem nog helpen.
'Bhisma, je was zo moedig', zegt één van de mannen en barst in huilen uit. 'Niet huilen, Yudhisthira,' zegt Bhisma. 'Mijn ziel gaat binnenkort naar de hemel. Maar nu nog niet. Ik wacht nog even tot de zon naar het noorden gaat. Dat is een betere tijd voor een ziel om op reis te gaan. Tot het zover is, zullen we de tijd doden. Laat ik jullie een verhaal vertellen over de zon die zo genadeloos staat te branden. Ja, dat lijkt me een goed idee! Luister goed, het is een mooi verhaal dat ik lang geleden hoorde.'

'Vertel, Bhisma, wij luisteren', zegt Yudhisthira. Maar lange tijd zegt Bhisma niks. Van pijn klemt hij zijn kaken op elkaar en zijn ogen dicht. 'Kunnen we hem niet helpen?', fluistert één van de broers. Yudhisthira schudt van nee. Wachten zullen ze. Als het zover is, zal Bhisma vertellen. Dan haalt Bhisma plotseling diep adem en kijkt onverwacht helder uit zijn ogen. Vol aandacht luisteren de broers naar de schorre stem van Bhisma die vertelt:

'Er was eens, lang geleden, een heilige. Jamadagni heette hij en hij was boogschutter. Dagelijks spande hij zijn boog en schoot zijn pijlen af. Zo trainde hij zichzelf en werd steeds beter. Hij zag scherp en hij schoot scherp en heel ver. Niemands pijlen kwamen zo ver als die van Jamadagni. Als hij zijn boog spande, konden zijn vijanden zich beter zo snel mogelijk uit de voeten maken. Jamadagni had een schat van een vrouw. Renuka heette ze. Telkens als Jamadagni zijn schietoefeningen deed, haalde Renuka voor hem de pijlen weer op en bracht ze bij hem terug. Elke dag moest ze daarvoor verder lopen, want elke dag schoot Jamadagni verder dan de dag daarvoor.

Het was op een snikhete dag dat Jamadagni weer zijn schietoefeningen deed. Toen hij al zijn pijlen verschoten had, vroeg hij aan Renuka: Schat, haal jij de pijlen weer op? Ik wil nog een set oefenen. Renuka ging op weg om de pijlen te halen. Jamadagni schoot nu kilometers ver, dus het werd een lange tocht. Het zweet brak Renuka uit, want de zon brandde ongenadig. Het zand onder haar voeten leek wel een kokende plaat. Renuka werd duizelig en dacht dat ze zou ontploffen van de warmte. Gelukkig zag ze een grote boom. Ze strompelde er naartoe en liet zich vallen in de koele schaduw van de boom. Maar toen ze een beetje bijgekomen was, dacht ze: "Jamadagni heeft een goed hart, maar hij is ongeduldig. Hij wordt boos als ik te lang wegblijf." Dus zodra ze kon, stond Renuka weer op en haastig verzamelde ze alle pijlen. Daarna rende ze op een drafje terug naar huis.

"Waar bleef je zo lang?", vroeg Jamadagni boos. "Ik dacht dat je iets ergs was overkomen. Wat zie je er uit! Wat is er gebeurd?" "O Jamadagni, liefste, ik werd bevangen door de hitte. De stralen van de zon schenen zo fel op mijn hoofd, het zand brandde zo vurig aan mijn voeten! Ik dacht dat ik zou sterven. Ik kon niet verder. Ik moest even rusten in de schaduw van een boom. Maar zo gauw ik kon, ben ik weer verder gegaan, echt. Wees alsjeblieft niet boos!" "Die zon, dat loeder!" riep Jamadagni boos. "Hoe durft hij mijn vrouw zo te mishandelen! Ik zal ons wreken. Vandaag nog zal ik hem treffen met mijn pijlen. Ik zal hem vernietigen! Dat is zijn verdiende loon!" En hij richtte zijn boog op de zon die hoog aan de hemel zijn dagelijkse wandeling maakte naar de andere kant van de aarde. De zon merkte dat. "Wie houdt mij daar beneden zo scherp en boos in de gaten?", vroeg de zonnegod Surya zich af. "Ik zal afdalen in het lichaam van een brahmaan. Dan kan ik daar beneden eens kijken wie dat doet en waarom."

Even later kwam een oude, wijze brahmaan op Jamadagni af. "Gegroet, eerwaarde schutter", zei de brahmaan, en maakte een buiging. "Gegroet, edele", antwoordde Jamadagni, en boog terug. "Vergeef me dat ik zo brutaal ben," zei de brahmaan, "maar ik zie boosheid. U fronst uw voorhoofd en richt uw peilen op de zon. Bent u boos op de zon?" "En of ik kwaad ben!", riep Jamadagni en balde zijn vuisten. "Mijn vrouw had wel dood kunnen gaan! Die zon brandt maar dag in dag uit ongenadig, zonder zich te bekommeren om ons. Mens en dier verschrompelt onder zijn aanblik. Wij zijn toch geen broden die je bakt in een oven? Wij, mensen, gaan dood van de hitte." "Ach, ik betreur dat de zon uw vrouw heeft gestoken", zei de brahmaan. "Maar waarom blijft u zo verhit? De zon doet toch ook goed werk? Ze zuigt het vocht uit de aarde en de zeeën en haalt het omhoog om het daarna als regen weer te laten neerdalen. Die regen laat de bomen, planten en kruiden groeien waarmee mens en dier zich voeden. Als de zon niet schijnt, sterft iedereen op aarde van de honger." "Nou en?", zei Jamadagni boos, "stoor me niet met uw slimme praatjes. Ik ga die zon doorzeven met mijn pijlen. Punt uit. Hij moet niet denken dat hij zomaar alles mag. Wie mijn vrouw steekt, krijgt het met mij aan de stok."

De zonnegod Surya merkte dat Jamadagni niet voor rede vatbaar was. Daarom nam hij de gestalte aan van een andere brahmaan. Ook die zocht Jamadagni op en keek een tijdje toe hoe deze probeerde zijn pijl op de zon te richten. "Dat lukt u nooit", zei de brahmaan. "U richt op de zon, maar u zult hem nooit treffen. De zon beweegt voortdurend. Ook al bent u nog zo'n scherp en behendig schutter, voor de zon bent u niet snel genoeg." "Aha!", zegt Jamadagni, "maar ik weet toevallig dat u precies om twaalf uur een ogenblik stilstaat. En precies dán zal ik op u schieten." Op u schieten”, zegt u," zei de brahmaan geschrokken. "dus u hebt mij herkend als de zon. Dan smeek ik u om uw bescherming!"

Jamadagni was even stil. Toen liet hij zijn boog zakken en schoot in de lach. In één klap was zijn boosheid verdwenen. "U bent wel heel slim", zei hij, "want we weten allebei dat je iemand die bescherming vraagt, niet mag doden. U hoeft dus niet meer bang te zijn dat ik op u zal schieten. Maar uw stralen steken nog steeds, ze zijn echt gevaarlijk voor mensen. Bedenkt u toch iets waardoor mensen zich tegen uw stralen kunnen beschermen."

"Kijk, daarvoor geef ik jullie mensen dit", zei Surya met een stralende lach. Met een sierlijke zwaai toverde hij een witte parasol tevoorschijn. "Op deze manier doe je hem open als ik schijn", zei Surya en duwde een schuifje langs de stok omhoog waardoor de parasol zich spreidde. "Mijn stralen komen hier niet doorheen. Zo heb je altijd je schaduw bij je, waar je ook bent. En als er wolken zijn of het wordt avond, dan kun je hem met dit touwtje weer dichttrekken." Vol bewondering bekeek Jamadagni het vreemde voorwerp en liet het keer op keer open en dichtgaan.

Met nogmaals een sierlijke zwaai toverde Surya twee sandalen tevoorschijn en zette die neer voor de voeten van Jamadagni. "Zet je voeten hier maar eens op en trek de riempjes aan de bovenkant dicht. Nu kun je over het hete zand lopen zonder dat het aan je voeten brandt." Verbaasd en wat onwennig liep Jamadagni een paar stapjes over het hete zand. "Ik voel niks!", riep hij uit. "Dit is geweldig!"

'Zo gaf de zonnegod ons parasol en sandalen', zei Bhisma, de stervende krijger. 'Zo is het gegaan en niet anders. En kijk!' Hij wees naar de zon. 'De zon staat nu meer naar het noorden. Laten we afscheid nemen. Mijn ziel wil terug naar waar ze vandaan kwam.'

Gepubliceerd in: Agastya drinkt de zee leeg. En andere verhalen uit de grote wereldgodsdiensten. Erik Idema e.a. Meinema, Kwintessens, Pelckmans 2008
Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien