cylist in the rain | (c) Branko Collin

Verhaal voor jongeren, 12-15 jaar.
Rick wil normaal zijn, maar zijn leraar zit hem daarbij dwars. Op een dag verzint hij een list.

Windkracht vier was op de radio genoemd, maar het voelde als zeven. Mijn benen leken wel touwtjes, zo slap. Liefst zou ik omkeren. Met de wind in de rug terug naar huis, naar mijn kamer, mijn nog warme bed. De vertrouwde geur ruiken waarvan Mam altijd zei dat het stonk, terwijl ze zonder te vragen door mijn kamer stampte om het raam open te gooien, ook al vroor het buiten tien graden. Het raam zou ook nu al wel weer open staan, dus niks warm dekbed en vertrouwde geur. Die zou ik er eerst weer in moeten werken. Raam dicht, beetje wapperen, schoenen uit en wachten. Een half uur werk, minstens, maar ik zou het ervoor over hebben. Het mocht alleen niet. Het kon ook niet, want Pa was thuis en hij zou me ‘Linea recta, ben je helemaal besodemieterd, fort!’ weer naar school sturen. Hij kende me. Schoolziek was niet ziek. En discussies zouden niet helpen, want Pa sleepte er altijd de onderwijsinspectie bij en ‘ik ga niet voor je liegen.’ Dus ik trapte door, richting school, ook al wilden de wind en mijn touwtjesbenen niet. Ik moest wel.

Ik had echt buikpijn. Zat tussen de oren, had Pa gezegd. Maar stel dat het niet zo was? Konden je darmen in de knoop raken? Ze kronkelen enorm volgens het plaatje in het bioboek. En dat zeven meter lang ongeveer. Daar kon toch zomaar een knoop in vallen, net als in een elektriciteitssnoer? Dan zou er niets meer door kunnen. Opstopping, file, rotting, gassen die geen kant op konden, een ballon die steeds groter werd en: KABOEM! Ontploffing. Geen wonder dat ik die ochtend geen hap door mijn keel had gekregen, de boel stond al op ontploffen. Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Jongen ontploft op weg naar school.’ De politie zou met rood-witte linten de omgeving afzetten.
Ze vermoedden een zelfmoordaanslag, maar niemand had achter die doodgewone, wat saaie Hollandse jongen banden met Al Qaida vermoed. Klasgenoten zouden op tv beweren dat ik een loner was. ‘Je wist niet wat er in hem omging.’ Maar de reporter zocht verder, wilde een motief. Walraven van wiskunde kwam in beeld in zijn eeuwige bruine colbertje en zijn vette, net nog extra gekamde haar. ‘Er waren geen signalen dat hij gepest werd. Hij was een uitzonderlijk goede leerling, heel rustig, niet zoals de anderen.’ Enzovoort.
Daar zou de inspectie niet van terug hebben. Ik ook niet, want die explosie zou ik niet overleven. Na uitvoerig onderzoek van mijn stoffelijke resten zouden ze concluderen dat er geen Al Qaida achter zat, maar een verwaarloosde darmknoop. Pa zou spijt hebben dat hij niet geluisterd had, Mam zou voorgoed mijn raam dichthouden om mijn geur te bewaren voor de komende vijftig jaren. Op mijn steen zou staan: ‘Hij deed in stilte zijn best. Rest in peace.’ Dat moest eigenlijk zijn: resten in pieces, want na die explosie was ik natuurlijk niet meer aan een stuk.

Ik vroeg me af of mijn klasgenoten me zouden missen. Ik had geen vrienden, had geen idee hoe je die moest maken. Anderen ging dat vanzelf af, leek het wel. Die waren normaal. Hoe deden ze dat? De juiste kleren, de juiste houding, de juiste opmerking op het juiste moment, zodat iedereen moest lachen. Ik kon het niet. Als ze om mij lachten, was het uitlachen. Als ik al eens een goede opmerking had, kwam die op het verkeerde moment. Een uur of een dag te laat. Dus op een gegeven moment hield ik vanzelf mijn mond.
‘Weet je wat het met jou is?’, zei Cloë eens. Ik spitste mijn oren, ik dacht echt dat ik nu de oplossing zou horen. ‘Jij doet te veel je best om erbij te horen’, zei ze. Het moest vanzelf gaan. Dus deed ik mijn niet-best om erbij te horen. Zo onopvallend mogelijk. Natuurlijk werkte dat ook niet.
Walraven maakte het nog onmogelijker. Ik was zijn lievelingetje. Vreselijk! Ik kon er toch niets aan doen dat wiskunde vanzelf ging? Telkens pikte hij mij eruit om een som op het bord voor te doen en riep hij dat anderen een voorbeeld aan me moesten nemen. Ik schaamde me kapot. Met elk compliment van hem raakte ik nog verder van mijn doel. Ik wilde geen voorbeeld zijn. Gewoon wilde ik zijn, net als de anderen. Erbij horen.

Die ochtend van tegenwind en touwtjesbenen, bedacht ik een plan. Ik zou Walraven eens en voor altijd laten stoppen met zijn geslijm. Dan zouden ze weten dat ik geen nerd was.  We hadden het eerste uur wiskundeproefwerk. Nog nooit had ik zo goed mijn best gedaan. Het moest niet alleen fout, maar het moest begrijpelijk fout, alsof ik het niet snapte. Niet alles fout, maar een 4 was mijn doel. Wel balen voor Joris, want die nam in het volste vertrouwen al mijn fouten over. Ik had hem vooraf moeten waarschuwen. Ik seinde nog van ‘fout’, maar hij begreep het niet. Twee dagen later zouden we de proefwerken terugkrijgen. Ik kon haast niet wachten. Exit nerd Rick, enter gewone Rick.

Maar het liep anders. Walraven deelde de blaadjes uit, die van mij als laatste. Ik vond het zo spannend! Was het gelukt om precies die 4 te halen of werd het een halve punt meer of minder? Bovenaan mijn blaadje stond… een dikke rode 9. Wát??? Misschien had ik het wel hardop geroepen. Joris en Iris en Mark, ze keken allemaal naar mijn blaadje.
‘Oh een negen’, zei Iris. ‘Rick is boos dat hij geen tien heeft.’
‘Nee!’, riep ik. Ik voelde me als toen mijn stuurvork brak toen ik op een drukke weg fietste: ik stuurde als een gek, maar die fiets ging gewoon zijn eigen gang.
‘Dit kan niet!’, riep ik. Gauw keek ik bij Joris. Die had wel een 4.
‘Hier!’, zei ik. Vraag 2 heb ik fout en er staat een krul voor. Vraag 3, 4 en 6 fout, krul ervoor. Alleen 7 hebt u terecht foutgerekend. Wat bent u voor een leraar?’
‘Nou val je door de mand’, zei Walraven ijzig kalm. ‘Je hebt bewezen dat je die fouten expres maakte.’
Een cycloon in mijn hoofd, gedachten wervelden door elkaar heen. Ik wilde dat Joris dan mijn negen kreeg, maar dan moest ik verraden dat hij gespiekt had. Ik kon naar de conrector gaan om mijn onvoldoende te eisen, maar hij zou wel op de hand van Walraven zijn. Ik was machteloos. Wat ik ook deed, Walraven zou blijven slijmen en tienen geven. De stuurvork van mijn leven was gebroken. Dit was zó oneerlijk!
Ik flipte, voor het eerst van mijn leven.
Ik verscheurde het proefwerk, pakte mijn tas en liep naar de deur.
‘Waar ga je heen?’ vroeg Walraven.
‘Weg’, schreeuwde ik. Ik had eerlijk gezegd geen idee waar ik heen ging.
‘Stop!’ zei Walraven. ‘Voor je gaat, wil ik dat je vertelt waaróm je de klas verlaat.’
Ik twijfelde. Ach wat, ik had niets meer te verliezen. ‘Omdat ik ziek word van uw geslijm’, zei ik. ‘Ik wil helemaal niet het goede voorbeeld zijn. Ik wil normaal zijn. Vrienden hebben. Dat is al moeilijk genoeg, maar u maakt het onmogelijk.’ En toen liep ik de deur uit.
De rest van het uur zat ik op de wc te trillen. Hoe moest ik de volgende vijf jaar overleven als loner, nu al mijn kansen op normaal zijn verkeken waren?
Mark kwam me halen. ‘Ga je wel mee naar Engels?’ vroeg hij. ‘Walraven is helemaal van de leg. Goed van je hoor. Ik zou het niet gedurfd hebben.’

Jones van Engels wilde de les zogenaamd leuk maken door ons songteksten te laten vertalen. Maar dat moesten we doen met suffe songs uit zijn jeugd. En we moesten ook verzinnen wat de maker had bedoeld. Zuchtend bogen Iris, Joris, Cloë en ik ons over een nummer van Sting: ‘Englishman in New York’.
We waren net bezig, toen Cloë zei: ‘Hé, dit gaat over jou, Rick.’ Ze keek serieus, ze lachte me niet uit.
‘Jij zei dat je je altijd anders voelt dan anderen’, zei ze. ‘Deze man ook, hij noemt zich een alien. Maar een echte vent past zich niet aan. Hier: “Be yourself, no matter what they say.”’
‘Wat een loner’, zei Iris. Als het aan Iris lag, zouden ze me weer uitlachen.
Cloë werd rood. ‘Maar Rick kan er niets aan doen’, zei ze haast vurig. ‘Hij kiest er niet zelf voor. Die Engelsman kan er ook niets aan doen, maar hij maakt er het beste van. Dat is sterk.’
Zo. Die kwam binnen. Mijn hart ging tekeer! Iemand begreep mij!
Ik wist niet wat ik zeggen moest. En dus zei ik niks, zoals gewoonlijk.

Die nacht lag ik weer wakker en wist ik eindelijk wat ik had moeten zeggen. Meestal is het niet zo’n succes om een dag later met een opmerking te komen, maar dit keer waagde ik het erop. Wachtend tot de deur voor Frans openging, zei ik tegen Cloë: ‘Je had gelijk gister, met die alien. Dankjewel.’
Ik was bang dat ze me alsnog zou uitlachen. Maar dat deed ze niet. Ze glimlachte alleen en zei: ‘Er zijn hier op school meer loners dan je denkt.’
Even later hoorde ik haar het refrein neuriën: ‘Be yourself, no matter what they say.’
Ik voel me nog steeds vaak anders dan anderen. Maar dan denk ik aan het nummer van Sting en aan wat Cloë zei. Er zijn meer loners dan je denkt. Ik ben niet alleen.

Eerder gepubliceerd in Oase Magazine, digitale bijlage met vieringenmateriaal 2014, www.oasemedia.nl

Pin It

Auteursrecht

Op dit werk rust auteursrecht. Wil je het voorlezen in een groep? Prima, maar laat het me even weten. Publiceren op papier of web? Vraag naar de voorwaarden.  © Hilda Algra

Aanbieding

Nieuwsbrief met tips

typemachien